Terpen, wierden en dijken

Lauwerszee

Tot 1969 zag het Lauwersmeergebied er net zo uit als de Waddenzee nu. Eb en vloed bepaalden het landschap: via prielen, geulen en slenken stroomde het zeewater in en uit. De Lauwerszee was een inham van de Waddenzee, compleet met geulen, zandplaten die bij eb droogvielen en smalle stukken kwelder langs de randen.

(c) foto: Simon Bijlsma

Terpen

Rond 500 voor Christus kwamen de eerste mensen in het gebied wonen. Ze gingen wonen op de hoger gelegen delen in het landschap. Zo ontstonden de terpen (Fries) of wierden (Gronings). Bij overstromingen staken de terpen boven de golven uit en gaven zo bescherming aan de bewoners. Door het groeiende aantal bewoners ontstond in de loop der tijd ruimtegebrek op deze aarden heuvels. Daarom begon men rond het jaar 1000 met de aanleg van dijken. Zo beschermde men de woonplaatsen en landbouwgronden tegen overstromingen. Kloosters in de omgeving speelden daarbij een belangrijke rol. Men legde ook polders aan. De inpolderingen boden prima landbouwgrond. In het huidige landschap zijn de vroegere zeedijken gemakkelijk terug te vinden.

Vaargeulen afsluiten

(c) Jörgen de Bruin

Al in 1600 maakte men plannen om de brede zeegeulen naar Dokkum en Groningen af te sluiten, maar de scheepvaart was in die tijd een belangrijke bron van inkomsten. Daarom was afsluiting niet aan de orde.

De Kerstvloed van 1717 maakte echter honderden slachtoffers en dit vormde de directe aanleiding om toch het Dokkumerdiep af te sluiten met een sluis. Zo ontstond Dokkumer Nieuwe Zijlen (zijl betekent sluis). Het Reitdiep, een grote, vier kilometer brede zeegeul, werd in 1877 bij Zoutkamp afgesloten. Daarvóór waren eb en vloed tot in de stad Groningen goed merkbaar.

afdrukken