Landaanwinning

Boerenmethode 

De boeren in het Noorden van Groningen en Friesland hadden al vroeg ontdekt dat het land dat door inpoldering op de zee gewonnen was, goede vruchtbare landbouwgrond opleverde. Vanaf de 17e eeuw ontwikkelden zij een speciale werkwijze: de 'boerenmethode'. Zij groeven, wanneer de buitendijkse gronden door natuurlijke opslibbing hoog genoeg waren, smalle en vrij diepe greppels.

Zo stroomde het zeewater bij eb makkelijker weg en droogde de grond beter in. Het vers aangevoerde slib kon zich zo beter hechten aan de grond. Ook planten groeiden beter op de drogere grond. Planten, zoals zeekraal, functioneerden als slibvangers. De greppels (en eventueel sloten) moesten wel jaarlijks worden uitgegraven. Het slib werd op de tussenliggende percelen gegooid. Dit was het winterse werk voor de arbeiders, als er op de boerderij weinig te doen was. De kustboeren kregen, op grond van het Ommelander Landrecht (1601), de eigendomsrechten van de landaanwinning. Vooral in Noord-Groningen zijn veel polders langs de kust bedijkt volgens de boerenmethode.

Werkverschaffing

Doordat de eigendomsrechten bij landaanwinning wijzigden, werd het voor landeigenaren minder aantrekkelijk om aan landaanwinning te doen. Dat is één van de redenen dat de Staat rond 1930, in het kader van de werkverschaffing, aan de slag ging met grootschalige landaanwinningwerken. De Staat nam een Duits systeem van landaanwinning over: de 'Sleeswijk-Holstein-methode'. Dat ging als volgt: men bouwde, loodrecht op de kust, op een onderlinge afstand van 400 meter, dammen. Deze bestonden uit twee rijen palen met daartussen rijshout. Vervolgens bouwde men, evenwijdig aan de kust, op een afstand van 400 meter nog zo'n dam. Zo ontstonden er bezinkvelden van 400 bij 400 meter. Door de aanleg van dammen en palenrijen verdeelde men de velden in vakken van 100 bij 100. Greppels en een opening in de rijshoutdam aan de zeezijde zorgden voor de afwatering. Deze werkwijze strekte zich soms wel tot 1200 meter of meer uit de kust uit. Doel van dit alles was om het woelige zeewater te temmen, zodat het meegevoerde slib in de vakken werd afgezet en er kwelderplanten gingen groeien. Om de opslibbing zoveel mogelijk te bevorderen, moesten de greppels vrijwel jaarlijks opnieuw worden gegraven. Aanvankelijk gebeurde alles met de hand. In de crisistijd (jaren '30) bood dit werk aan ruim 1000 mensen. Na 1950 is men geleidelijk overgegaan tot mechanisatie van het graafwerk.

Cultuurhistorie

(c) foto: Jörgen de Bruin / Nationaal Park Lauwersmeer

Toen de Lauwerszee in mei 1969 werd afgesloten, was een kleine 2000 hectare bedekt met landaanwinningswerken. Een groot deel daarvan is na de afsluiting in cultuur gebracht en in gebruik genomen als landbouwgrond.

Slechts op enkele plaatsen in het zuidelijke deel van Nationaal Park Lauwersmeer vindt u iets terug van dit stuk cultuurhistorie. Zo kunt u op de zuidelijke platen de halfvergane palenrijen van de voormalige rijshoutdammen nog zien staan. En als u goed kijkt, ontdekt u in het landschap zelfs de regelmatige rechte en vierkante patronen van de vroegere bezinkvelden. U kunt daarvoor het best terecht op de uitkijkheuvel op de Zoutkamperplaat.

afdrukken